MARTIN HEIDEGGER (1889 - 1976)

Martin Heidegger wordt geboren als oudste zoon van een katholieke koster in klein stadje, Meßkirch, in Z Duitsland. Na het gymnasium studeert hij met een beurs van de kerk theologie in Freiburg-im-Breisgau, met de bedoeling priester te worden. Tijdens zijn studie valt hij echter van zijn geloof en besluit van theologie over te stappen naar filosofie. Na zijn afstuderen verkrijgt hij al snel een aanstelling als docent in Feiburg. De Eerste Wereldoorlog komt hij betrekkelijk gemakkelijk door als medewerker van de militaire censuur. In 1917 trouwt hij met Elfride Petri, die voor hem een berghut ontwerpt in de bossen van het Schwarzwald. Daar zal hij zich tot zijn dood in 1976 geregeld terugtrekken om er te wandelen, te denken en te schrijven. Zijn belangrijkste werken ontstaan hier.

 

In 1923 wordt Heidegger benoemd tot buitengewoon hoogleraar in Marburg. Van meet af aan ontwikkelt zich een sterrencultus rond zijn persoon. Professor Heidegger is een excentrieke verschijning, die zich liever in wandelkostuum vertoont dan in toga. Door heel Duitsland zingt het gerucht rond dat de filosofie wedergeboren is in de gedaante van Martin Heidegger. Zo herinnert althans zijn studente Hannah Arendt zich later deze periode. Zij had tussen 1924 en 1927 een geheime verhouding met Heidegger, lang voordat zij na de Tweede Wereldoorlog beroemd werd met haar notie van de Banalität des Bösen (de banaliteit van het kwaad), naar aanleiding van het proces tegen de nazi Adolf Eichmann, die de logistiek van de Holocaust uitdacht.

 

In 1927 vestigt Heidegger zijn naam met het boek ‘Sein und Zeit’ (Zijn en Tijd), dat in brede kring onthaald wordt als een filosofische gebeurtenis van de eerste orde. Het boek verdeelt de meningen. Sommigen vinden het geniaal, anderen wantrouwen het vanwege het vreemde taalgebruik en de onorthodoxe wijze van filosoferen.

 

‘Alleen een zijnde dat in z’n zijn naar zijn aard toekomstig is, zodat het vrij voor zijn dood hierop stukloopt en zich van daaruit op zijn factische er kan laten terugwerpen, met andere woorden, alleen een zijnde dat als toekomstig zijnde even oorsprokelijk gewezend is, kan, door de overgeërfde mogelijkheid aan zichzelf over te leveren, de eigen geworpenheid op zich nemen en ogenblikkelijk zijn voor ‘zijn tijd’.’ Een voorbeeld van Heideggers vaak onnavolgbare taal

 

Vanaf 1928 mag Heidegger een leerstoel gaan bekleden in Freiburg. Hoewel hij in deze periode weinig interesse in politiek vertoont, noch zich laat kennen als een antisemiet, treedt hij in 1933, kort na de nationaalsocialistische machtsovername, openlijk tot de nazi-partij toe. Wanneer de sociaaldemocratische rector magnificus van de universiteit in Freiburg door de nazi’s aan de kant wordt gezet, neemt Heidegger gedurende tien maanden die post over. In deze periode gedraagt Heidegger zich uiterst autoritair en in toespraken beklemtoont hij zijn bewondering voor Hitler. De liefde komt echter niet van twee kanten, want binnen de nazitop wordt de buitenissige Heidegger al snel gezien als een gevaarlijke idioot, die het nationaalsocialisme probeert naar zijn eigen hand te zetten. Heidegger komt tot de conclusie dat hij zich vergist heeft. Hij trekt zich gedesillusioneerd terug in zijn berghut, om zich nooit meer met actief politiek bezig te houden.

 

Wanneer hij in 1945 voor een universitaire zuiveringscommissie moet verschijnen probeert hij zijn rol als nazi te bagatelliseren. Latere studies wijzen uit dat zijn rol een stuk minder onschuldig is geweest dan hijzelf voorgeeft. Weliswaar heeft hij moeite gedaan om enkele joodse collega’s te helpen, maar op andere momenten heeft hij rivalen aan de universiteit juist geprobeerd te lozen met een beroep op hun joods-zijn. De commissie legt Heidegger een doceerverbod van vijf jaar op en stuurt hem met vervroegd emeritaat, waarna hij in een diepe crisis belandt, een zelfmoordpoging doet en een tijdje wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting.

 

In de jaren ’50 beleeft Heideggers filosofie echter een wedergeboorte. Uitgerekend de joodse Hannah Arendt, die de oorlog heeft overleefd, spant zich onvermoeibaar in om Heidegger te rehabiliteren. In de jaren ’60 wordt Heideggers werk in vele talen vertaald en hijzelf is een veelgevraagde spreker. Toch blijft Heidegger controversieel. Tegenover de grote bewondering van grootheden als Jean Paul Sartre, Maurice Merleau Ponty en Jacques Derrida staat een kamp van verklaarde tegenstanders, die hem obscurantisme, leegheid en onverbeterlijk nazisme verwijten.

 

Heidegger blijft al die tijd wonen in Freiburg, wandelend, denkend, schrijvend in de buurt van zijn berghut. Als de inmiddels bejaarde Heidegger in 1969 geïnterviewd wordt voor de televisie, zien we een ernstige, bedachtzame heer, die nog altijd charismatisch overkomt. Op zijn naziverleden komt hij nooit meer terug. In 1976 wordt Heidegger, die in 1925 brak met de kerk, op katholieke wijze begraven op het kerkhof in zijn geboortestad Meßkirch.